Vandaag vlieg ik naar het buitenland voor een vergadering. Iets zakelijks en saais. Maar mijn lichaam begrijpt dat niet. Het reageert alsof het iets groters voelt dan wat er op de agenda staat. Het begint te trillen nog voor ik aan de incheckbalie sta.
Tegelijkertijd zit er iets opwindends in. Iets wat ik niet zou willen missen. Het idee van opstijgen, loskomen van de grond, van het gewone. Alsof je jezelf even optilt uit alles wat je vasthoudt. Elke vlucht is een breuk. En elke breuk draagt belofte in zich.
Ik hou ervan hoe de wereld vanuit een vliegtuigraam kleiner lijkt. Hoe steden zich uitspreiden als kaarten, hoe rivieren linten worden, hoe de lucht zelf iets ondoorgrondelijks krijgt. Alsof de hemel tijdelijk openstaat.
Maar onder die bewondering ligt een andere laag. Een laag die ik niet graag benoem. Angst. Niet enkel voor het neerstorten, voor het breken van metaal of het bericht dat nooit aankomt. Maar voor mezelf. Voor wat ik achterlaat. Voor wat ik zou kunnen verliezen in die luttele uren tussen vertrek en aankomst.
Angst stoot af en trekt aan. Ze weeft vrees door verlangen. Ze is geen keuze, maar een onzichtbare hand die duwt en lonkt tegelijk. Angst is een product van de verbeelding, een schaduw die niet van buiten komt, maar van binnen groeit. Ze voedt zich met mogelijkheden, met ‘wat als’ en ‘stel je voor’. Het is het denken dat zichzelf angst aanpraat. Soms vervliegt ze, soms blijft ze hangen.
Mijn vrouw blijft thuis. We nemen afscheid zoals altijd, met routineuze genegenheid. Maar ergens in dat simpele “tot morgen” zit een barst. Een optie die je probeert te vergeten: wat als dit de laatste keer is dat we elkaar zien?
Toch ga ik, niet ondanks de angst, maar dankzij. Misschien is dat wat reizen zo intens maakt. Het is een oefening in vertrouwen, en in loslaten. Een soort toestemming aan het leven om even zonder controle te zijn.
En zoals altijd, vlieg ik niet alleen. Er zit iets naast me. De vrees die blijft verlangen.
